Algemeen

 

Medio 2001 werd het ontwikkelingstraject 'Interactiewijzer voor het Jonge Kind' afgerond.
In een pilot-studie is dit sociale vaardigheidsprogramma succesvol uitgevoerd in de onderbouw van scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en op REC-scholen.

 

Ontwikkeltraject en pilotstudie werden uitgevoerd in samenwerking met:
BCO Onderwijsadvies te Venlo.
BCO Onderwijsadvies verzorgt cursussen 'Interactiewijzer voor het Jonge Kind'.







 


Vooral scholen hebben steeds meer begeleidingsvragen over gedrags- en omgangsproblemen van leerlingen.
Sociale vaardigheidstrainingen staan daarom steeds meer in de belangstelling, ook vanuit preventief oogpunt. SOVA-training houdt in dat kinderen meer en betere gedragsalternatieven ontwikkelen èn daaruit bewuster kunnen kiezen.
Voor het Jonge Kind is er echter nog maar weinig ontwikkeld. Zij kunnen zich nog niet zo goed 'verplaatsen in de ander' en dat is nu juist vaak een uitgangspunt voor de meeste sociale vaardigheidstrainingen in gedragsalternatieven.
Op 7 à 8 jarige leeftijd zie je wel dat kinderen kennelijk voldoende 'vanzelf' hebben geleerd om aan een SOVA-training te kunnen beginnen.
Ons standpunt is: Jonge kinderen maken dus een leerproces door om zich te kunnen verplaatsen in het perspectief van de ander. Dus kun je ze ook hèlpen bij dat sociale leren vóór hun 7e jaar.
Dat is wat Interactiewijzer voor het Jonge Kind succesvol blijkt te doen in een preventief groepsprogramma voor 4 tot 8 jarigen. Jonge kinderen leren enthousiast in de schoolpraktijk van alledag dat er verschillende gedragsalternatieven zijn waaruit je steeds de beste kunt kiezen.
Ze leren impliciet vanuit hun eigen belevingswereld: "Ik bén niet zo, Ik dóe zo, En ik kan het dus ook ánders doen!"
Na een groepstraining kun je als groepsleraar bovendien ook individuele kinderen met Interactiewijzer Jonge Kind gaan helpen waarbij gedragsproblemen spelen als 'te bazig', 'te meegaand', 'te verlegen' of 'te veel ruzie'.
Begrippen en aanpak blijven bij de kinderen leven en komen dus het hele schooljaar door goed van pas bij zowel positieve als problematische interacties op school.
 

Kader


Sociale Vaardigheidstraining en Interactietaal voor de hele groep:
In de leercyclus benoemen, herkennen, toepassen leren kinderen welke gedragsalternatieven er voor hen zijn in sociale situaties. Ze oefenen in de schoolpraktijk van alledag met die alternatieven en komen er zo achter welk gedrag op welk moment het meest gepast is. Ze leren daarvoor ook een taal op hun eigen belevingsniveau.

Doelen


Preventieve werking naar kinderen:
Voor de leerkracht betekenen die taal en de oefeningen directe preventieve aangrijpingspunten en handelingsmogelijkheden in de groep bij zowel positieve als negatieve interactiesituaties. Dat wordt aangewend om positieve voorbeelden in de groep te bekrachtigen, gedragsproblemen te voorkómen of die te beperken.

Preventieve werking naar kinderen:


Voor kinderen met omgangsproblemen kan -met behulp van een computerprogramma- een individueel handelingsprogramma worden opgesteld. Daarin worden niet alleen sociale vaardigheden op maat geoefend in de groep, maar worden ook aanwijzingen gegeven voor een verdere fijnmazige afstemming van de leerkracht op de interactieproblemen van dat individuele kind.
Samen met de oorspronkelijke Interactiewijzer (voor 6-12 jarigen) in latere groepen kan op school een doorgaande lijn in sociale opvoeding aangehouden worden voor individuele kinderen. Zo kan maatwerk en continuiteit geboden worden op de plaats waar dat het meest effectief is….. in de klas!

Curatieve werking bij individuele kinderen:



Leraren en groepsopvoeders vergroten met 'Interactiewijzer voor het Jonge Kind' hun sensitiviteit voor kinderen met interactieproblemen. Zij internaliseren bewust interactioneel denken en handelen naar kinderen steeds verder. Ook ouders kunnen thuis meedoen met het programma.

Competentiegroei bij leerkrachten, groepsopvoeders en ouders:


De interactietheorie van de oorspronkelijke Interactiewijzer vormt ook de basis van Interactiewijzer Jonge Kind.
Die theorie is 'vertaald' in een taal en materialen die kinderen van 4 tot 8 jaar sterk aanspreken.
Kern voor die taal zijn vier poppen die bij de start van het programma uiterlijk alléén van elkaar verschillen in kleur.
Ze gedragen zich echter wel sterk verschillend omdat ze daarvoor kiezen.
Leidraad voor die keuze is het rijmpje: "Werk je MEE of werk je TEGEN? Als een BAASJE of VERLEGEN?"
Vandaar ook de namen van de poppen: "Poppie Mee, Poppie Tegen, Poppie Baasje en PopVerlegen".
De poppennamen worden op velerlei manieren geïntroduceerd. Er wordt geoefend in het herkennen van hun verschillende gedrag in tal van nuances en uiteindelijk wordt er door de kinderen in die gedragsalternatieven geoefend.
Dat gebeurt met posters, handpoppen, vingerpoppen, puzzels, kaarten, video, een poppie-klok, liedjes, verhalen, prentenboeken, spelletjes, werkjes en nog veel meer….
Het belangrijkste pedagogische middel voor het daadwerkelijk oefenen van gedrag in de groep is "Instant Replay".
Van positieve of probleemsituaties wordt a.h.w. de 'band onmiddellijk teruggedraaid'; vanaf de 'start' speelt de leerkracht met enkele kinderen de situatie na, met daarin de rol van een bepaald kind. Na het benoemen en herkennen van welke 'poppie-positie' ze inneemt, doet ze ook één of meer poppie-gedragsalternatieven vóór. Vervolgens wordt het kind gevraagd om dat ná te spelen. Dat levert allerlei varianten op voor benoemen, herkennen, kiezen, bespreken en toepassen van gedragsalternatieven door de kinderen. Sociale vaardigheden leren of versterken door direct ervaren en oefenen 'naar voorbeeld' in de groepssituatie van alledag is het uiteindelijke doel.
Instant replay vormt ook de basis voor het curatieve deel van het programma voor een individueel kind. Daarnaast worden met het kind systematisch specifieke sociale vaardigheden geoefend in een maatwerkprogramma middels spel, spelen en taakjes in de groep. Verder stemt de leerkracht haar houding systematisch nader af op de interactieproblematiek van het kind a.d.h.v. concrete adviezen.

Inhoud:




Informatie over cursussen Interactiewijzer voor het Jonge Kind kunt u krijgen bij:


 

Poppie Baasje

Pop Verlegen

Ontwikkeltraject en pilotstudie werden uitgevoerd in samenwerking met:
BCO Onderwijsadvies te Venlo.
BCO Onderwijsadvies verzorgt cursussen 'Interactiewijzer voor het Jonge Kind'.

 

 

Kader

 

Vooral scholen hebben steeds meer begeleidingsvragen over gedrags- en omgangs-problemen van leerlingen.
Sociale vaardigheidstrainingen staan daarom steeds meer in de belangstelling, ook vanuit preventief oogpunt. SOVA-training houdt in dat kinderen meer en betere gedrags-alternatieven ontwikkelen èn daaruit bewuster kunnen kiezen.
Voor het Jonge Kind is er echter nog maar weinig ontwikkeld. Zij kunnen zich nog niet zo goed 'verplaatsen in de ander' en dat is nu juist vaak een uitgangspunt voor de meeste sociale vaardigheids-trainingen in gedrags-alternatieven.
Op 7 à 8 jarige leeftijd zie je wel dat kinderen kennelijk voldoende 'vanzelf' hebben geleerd om aan een SOVA-training te kunnen beginnen.
Ons standpunt is: Jonge kinderen maken dus een leerproces door om zich te kunnen verplaatsen in het perspectief van de ander. Dus kun je ze ook hèlpen bij dat sociale leren vóór hun 7e jaar.
Dat is wat Interactiewijzer voor het Jonge Kind succesvol blijkt te doen in een preventief groepsprogramma voor 4 tot 8 jarigen. Jonge kinderen leren enthousiast in de schoolpraktijk van alledag dat er verschillende gedragsalternatieven zijn waaruit je steeds de beste kunt kiezen.
Ze leren impliciet vanuit hun eigen belevingswereld: "Ik bén niet zo, Ik dóe zo, En ik kan het dus ook ánders doen!"
Na een groepstraining kun je als groepsleraar bovendien ook individuele kinderen met Interactiewijzer Jonge Kind gaan helpen waarbij gedragsproblemen spelen als 'te bazig', 'te meegaand', 'te verlegen' of 'te veel ruzie'.
Begrippen en aanpak blijven bij de kinderen leven en komen dus het hele schooljaar door goed van pas bij zowel positieve als problematische interacties op school.

Doelen

 

Sociale Vaardigheidstraining en Interactietaal voor de hele groep:
In de leercyclus benoemen, herkennen, toepassen leren kinderen welke gedrags-alternatieven er voor hen zijn in sociale situaties. Ze oefenen in de schoolpraktijk van alledag met die alterna-tieven en komen er zo achter welk gedrag op welk moment het meest gepast is. Ze leren daarvoor ook een taal op hun eigen belevingsniveau.

Preventieve werking naar kinderen:

 

Voor de leerkracht betekenen die taal en de oefeningen directe preventieve aangrijp-ingspunten en handelings-mogelijkheden in de groep bij zowel positieve als negatieve interactiesituaties. Dat wordt aangewend om positieve voorbeelden in de groep te bekrachtigen, gedrags-problemen te voorkómen of die te beperken.
 

Creatieve werking bij individuele kinderen:

 

Voor kinderen met omgangs-problemen kan -met behulp van een computerprogramma- een individueel handelings-programma worden opgesteld. Daarin worden niet alleen sociale vaardigheden op maat geoefend in de groep, maar worden ook aanwijzingen gegeven voor een verdere fijnmazige afstemming van de leerkracht op de interactie-problemen van dat individuele kind.
Samen met de oorspronkelijke Interactiewijzer (voor 6-12 jarigen) in latere groepen kan op school een doorgaande lijn in sociale opvoeding aangehouden worden voor individuele kinderen. Zo kan maatwerk en continuiteit geboden worden op de plaats waar dat het meest effectief is….. in de klas!
 

 

Competentiegroei bij leerkrachten, groepsopvoeders

en ouders:

 

Leraren en groepsopvoeders vergroten met 'Interactiewijzer voor het Jonge Kind' hun sensitiviteit voor kinderen met interactieproblemen. Zij internaliseren bewust interactioneel denken en handelen naar kinderen steeds verder. Ook ouders kunnen thuis meedoen met het programma.

 

Inhoud:

 

De interactietheorie van de oorspronkelijke Interactiewijzer vormt ook de basis van Interactiewijzer Jonge Kind.
Die theorie is 'vertaald' in een taal en materialen die kinderen van 4 tot 8 jaar sterk aanspreken.
Kern voor die taal zijn vier poppen die bij de start van het programma uiterlijk alléén van elkaar verschillen in kleur.
Ze gedragen zich echter wel sterk verschillend omdat ze daarvoor kiezen.
Leidraad voor die keuze is het rijmpje: "Werk je MEE of werk je TEGEN? Als een BAASJE of VERLEGEN?"
Vandaar ook de namen van de poppen: "Poppie Mee, Poppie Tegen, Poppie Baasje en PopVerlegen".
De poppennamen worden op velerlei manieren geïntroduceerd. Er wordt geoefend in het herkennen van hun verschillende gedrag in tal van nuances en uiteindelijk wordt er door de kinderen in die gedragsalternatieven geoefend.
Dat gebeurt met posters, handpoppen, vingerpoppen, puzzels, kaarten, video, een poppie-klok, liedjes, verhalen, prentenboeken, spelletjes, werkjes en nog veel meer….
Het belangrijkste pedagogische middel voor het daadwerkelijk oefenen van gedrag in de groep is "Instant Replay".
Van positieve of probleemsituaties wordt a.h.w. de 'band onmiddellijk teruggedraaid'; vanaf de 'start' speelt de leerkracht met enkele kinderen de situatie na, met daarin de rol van een bepaald kind. Na het benoemen en herkennen van welke 'poppie-positie' ze inneemt, doet ze ook één of meer poppie-gedragsalternatieven vóór. Vervolgens wordt het kind gevraagd om dat ná te spelen. Dat levert allerlei varianten op voor benoemen, herkennen, kiezen, bespreken en toepassen van gedragsalternatieven door de kinderen. Sociale vaardigheden leren of versterken door direct ervaren en oefenen 'naar voorbeeld' in de groepssituatie van alledag is het uiteindelijke doel.
Instant replay vormt ook de basis voor het curatieve deel van het programma voor een individueel kind. Daarnaast worden met het kind systematisch specifieke sociale vaardigheden geoefend in een maatwerkprogramma middels spel, spelen en taakjes in de groep. Verder stemt de leerkracht haar houding systematisch nader af op de interactieproblematiek van het kind a.d.h.v. concrete adviezen.

 

 

Werkwijze:

 

Interactiewijzer voor het Jonge Kind wordt bij voorkeur aan het begin van een schooljaar gestart gevolgd door een implementatietraject in de rest van het schooljaar.
Het preventieve deel van het programma wordt intensief aangeboden aan de kinderen gedurende de eerste 4 á 6 weken. Het blijft daarna steeds spelen door de rest van het schooljaar heen als een belangrijk geïntegreerd facet van het pedagogisch groepsklimaat. Het curatieve deel kan na 1 tot 2 maanden worden opgestart.
Het Begeleidings Centrum voor Onderwijs en Opvoeding (BCO) in Venlo heeft Interactiewijzer voor het Jonge Kind mee helpen ontwikkelen.
BCO biedt cursussen en begeleiding van het invoeringstraject aan op schoolniveau.

Zie menukeuze <cursussen>
 

 

Good Practice Voorbeelden:

 

In een ontwikkel-pilot is het programma vanaf 1999 suksesvol uitgevoerd op verschillende scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, en in REC cluster 3 (ZMLK) en cluster 4 (ZMOK) scholen.
Zie ook het krantenartikel in het Limburgs Dagblad elders op deze site.
In het schooljaar 2001/2002 zijn nieuwe cursussen opgestart op verschillende plaatsen in het land.
 

 

Informatie en contact:

 

Informatie over cursussen Interactiewijzer voor het Jonge Kind kunt u krijgen bij:

BCO
Onderwijsadvies
Postbus 829
5900 AV VENLO

telefoon: 077-3519284
fax: 077-3522402

e-mail: info@bco-onderwijsadvies.nl