Uitgangspunten


Opvoeden als beroep is uitdagend en fascinerend omdat er voortdurend vragen worden gesteld en de antwoorden nooit pasklaar beschikbaar zijn. Dit speelt vooral als in problematische opvoedingssituaties een sterk beroep wordt gedaan op het creatieve oplossingsvermogen van de betrokkenen.


In dit boek proberen wij een bijdrage te leveren aan dit creatieve zoekproces. We maken daarvoor gebruik van de interactionele theorie van Leary (1957). Het oorspronkelijke model is ontwikkeld voor de therapeutische praktijk. Wij maken een bewerking voor de orthopedagogische situatie. Dit aangepaste model biedt een samenhangend kader voor een handelingsgerichte diagnostiek.


We realiseren ons dat er een gevaar schuilt in het werken vanuit een model. De werkelijkheid is immers zo gecompliceerd dat een model noodzakelijk leidt tot vereenvoudiging en vervorming. Een denkkader dwingt echter tot het zoeken naar oplossingen voor onvolmaaktheden en tegenstrijdigheden. Dat is wat wij beogen: een interactioneel model in beweging. Daarbij kan het, volgens een humoristische opmerking van Griend (1975), nooit het doel van theorievorming zijn om een landkaart te maken zo groot als de wereld.


In onze benadering praten we niet over een probleemkind maar over een kind in een probleemsituatie. Een kind zit in een probleemsituatie als zijn denken, handelen, voelen en willen niet samenvallen met de belangen en doelen van belangrijke anderen in de sociale omgeving van het kind (Haselager e.a., 2002). Probleemgedrag moet volgens Haselager niet opgevat worden als een tekort of een deficiëntieverschijnsel van het kind, maar als een aanpassing in een toestand van niet overeenstemmende doelen. De oplossing van sociaal-emotionele doelen moet dan ook niet alleen gezocht worden in een onbenut potentieel van het kind zelf, maar tevens in het onbenut potentieel van het volledige sociale

systeem waarin het kind functioneert. Hij onderscheidt daarbij vier aanknopingspunten voor behandeling:



Alle vier aspecten zijn van belang bij de begeleiding van kinderen. Wij kiezen binnen het kader van dit boek voor een expliciete uitwerking van het aspect sociale vaardigheden. De mate waarin bepaalde sociale vaardigheden aanwezig zijn, blijkt namelijk een centrale rol te spelen in de beeldvorming van opvoeders en andere kinderen over het betreffende kind. De drie andere aanknopingspunten komen echter ook aan bod in paragraaf 3.6, waarin het oplossingsgericht werken met behulp van Interactiewijzer wordt besproken.


Opvoedingsproblemen worden door ons geanalyseerd als omgangsproblemen ofwel interactieproblemen. Met die uitdrukking wordt bedoeld dat het kind in problemen is geraakt met mensen uit zijn omgeving, en wel op zo’n manier dat zijn gedrag bij anderen meestal juist bepaalde reacties uitlokt, die de moeilijkheden laten voortduren of zelfs verergeren.


In deze analyse wordt problematisch gedrag van kinderen niet beschreven vanuit oorzakelijke verbanden, maar vanuit een wisselwerking waarbij de kans bestaat dat interactionele processen zichzelf in stand houden.


In dit boek werken we het principe van die wisselwerking uit voor de interactie tussen het kind en de professionele opvoeder. Hierbij wordt de nadruk gelegd op de bereidheid van de professionele opvoeder om zichzelf te zien als startpunt voor verandering bij interactieproblemen. Hij moet zich bewust zijn van de wisselwerking tussen zijn pedagogische stijl en de omgangsstijl van het kind.


Verder gaan we na hoe deze processen invloed hebben op de interactie tussen het kind en de andere kinderen. Vanuit het theoretisch model worden voorstellen gedaan hoe de problematische interactie tussen het kind en de andere kinderen kan worden omgebogen. Hierbij wordt, afhankelijk van de moeilijkheidsgraad, een ordening aangebracht in sociale vaardigheden die het kind kan leren of die verbeterd kunnen worden.


Sociale vaardigheden kunnen op verschillende manieren worden aangeleerd of gestimuleerd. Schuurman (1995) onderscheidt daarbij drie methoden: door middel van een therapeutische behandeling, door middel van sociale vaardigheidslessen in aparte groepen en door een systematische stimulering van sociale vaardigheden in de situatie van alledag. Interactiewijzer is vooral een uitwerking van de laatste benaderingswijze. Ons uitgangspunt daarbij is dat sociale vaardigheden beter beklijven als ze in een natuurlijke omgeving worden ontlokt en aangeleerd.

Zo toont Kellam (1990) aan dat het stimuleren van consistent prosociaal gedrag en het ontmoedigen van probleemgedrag op locatie binnen scholen veelbelovend en kostenbesparend is. Daarnaast constateert hij dat contextgebonden interventies, die profiteren van de dynamiek onder leeftijdsgenoten, effectiever zijn dan begeleidingsinterventies in een afzonderlijke kunstmatige situatie. In andere studies wordt overtuigend aangetoond dat het aanleren van sociale vaardigheden in apart samengestelde groepen van kinderen met dezelfde problemen zelfs een onbedoeld negatief effect opleverde met meer problemen op de korte en lange termijn (Dishion & Dodge,2005).