Doelgroep



Ontwikkelingspsychologisch wordt de fase van 6 tot 14 jaar door Hartup (1986) gezien als de belangrijkste socialisatieperiode en is de gevoeligheid voor beïnvloeding door leeftijdsgenoten groot. Vandaar dat de principes in dit boek voornamelijk worden uitgewerkt voor de leeftijdsgroep van 6 tot 14 jaar. De behandelde principes kunnen natuurlijk ook toegepast worden bij kleuters en adolescenten. Het denkkader is daarbij hetzelfde, alleen zullen de voorbeelden aangepast moeten worden aan de ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt. Om dat te illustreren zullen we incidenteel specifieke voorbeelden geven, die bedoeld zijn voor jonge kinderen van 4, 5 jaar of voor adolescenten vanaf 14 jaar.


Zo speelt in de adolescentie het streven naar losmaking en autonomie. In die periode is het oefenen van bepaalde sociale vaardigheden in de sfeer van zich afzetten en protesteren erg belangrijk. De opvoedingssituatie moet daarvoor dan ook ruimte bieden. Een ander voorbeeld dat aantoont dat kinderen en adolescenten verschillend gevoelig zijn voor de opstelling van leraren, blijkt uit het onderzoek van Roorda (2012). Zij vond dat positieve relaties en meer betrokkenheid van leraren betere schoolprestaties opleverde bij leerlingen in het voortgezet onderwijs, terwijl negatieve, conflictvolle relaties van leraren juist een sterker negatief effect hadden op de schoolprestaties van basisschoolkinderen.


Voor kleuters is volgens Collot d’Escury-Koenings (1995, 2002) het aspect perspectief nemen nog onderontwikkeld. Pas rond het zesde jaar begrijpt een kind dat iemand vanuit zijn eigen perspectief de wereld bekijkt. Een kleuter kan zich nog moeilijk verplaatsen in een ander. Bij sociale vaardigheden is echter een verplaatsing in de belevingswereld van de ander een voorwaarde. Bij het ontlokken van sociale vaardigheden bij jonge kinderen dient men hiermee dus rekening te houden. Zo is het een vanzelfsprekende zaak dat een volwassene eerder zal bemiddelen bij een conflict tussen kleuters en hen zal uitleggen wat er aan de hand is. Daarbij wordt in de regel zo veel mogelijk aangesloten bij een

concrete, natuurlijke situatie zoals die wordt ervaren vanuit het perspectief van de kleuter. Gezien de specifieke uitwerking voor kleuters hebben we een training uitgewerkt voor deze doelgroep. In bijlage VIII wordt de uitwerking van Interactiewijzer voor het Jonge Kind nader beschreven.


Interactiewijzer is primair gericht op kinderen bij wie de opvoeder zich duidelijk zorgen maakt vanwege hun chronische en moeilijk te corrigeren omgangsproblemen. De interactionele principes kunnen echter niet bij elke hulpvraag zonder enig voorbehoud worden toegepast

Wij zijn voorzichtig met toepassing van Interactiewijzer bij kinderen met een ernstige psychische stoornis, zoals de antisociale gedragsstoornis, een autismespectrumstoornis en bij psychotische toestandsbeelden. Vaak ligt een biologische oorzaak hieraan mede ten grondslag en is handelen vanuit interdisciplinaire principes van belang, waaronder de medische discipline. De door ons gesuggereerde handelingsadviezen werken alleen als een kind voldoende gevoelig is voor een relationeel appèl en deze adequaat kan interpreteren. Dat is dan juist de vraag bij deze ernstige psychische stoornissen.


Kinderen met een stoornis in het autistische spectrum hebben communicatieproblemen, ze begrijpen de oorzaak van emoties minder goed en kunnen zich daardoor minder goed verplaatsen in een ander (Pouw, 2014). Ze voelen de ander minder goed aan en passen het geleerde moeilijk toe in een andere situatie. Maar deze specifieke problemen mogen geen beletsel zijn ze ontbrekende vaardigheden te leren ontwikkelen, met voor deze doelgroep een aanvullende meer cognitief gerichte ondersteuning. Voor een nadere uitwerking voor de autistische doelgroep wordt verwezen naar Nienhuis (1996).


Bij psychosociale problemen en relatief lichtere psychische stoornissen ligt het accent vaak meer op problemen in de omgang of interactie met anderen. Het gaat dan vaak om ingeslepen, chronische stijl- en interactieproblemen. Bij deze hulpvragen zal Interactiewijzer meestal als basisinstrument ingezet kunnen worden. Ook voor kinderen met minder complexe angst- en stemmingsproblemen of oppositioneel-opstandige problematiek kunnen de interactionele principes veel houvast bieden. Bijvoorbeeld, bij het zoeken naar

een juiste professionele houding van de opvoeder. Meestal zijn deze kinderen wel voldoende en soms zelfs overgevoelig voor relationele appèls.


Pameijer (1993) pleit in een recensie op Interactiewijzer terecht voor een nadere analyse van de invloed van kind-ouder interacties binnen het gezin op het voortbestaan van het probleem. In dit boek beperken we ons echter bewust, uit praktische overwegingen, tot een beschrijving van het functioneren van kinderen in de opvoedingssituatie van een school of van een andere instelling. Dit wil uiteraard niet zeggen dat specifieke kindkenmerken en factoren buiten die professionele opvoedingssituatie niet betrokken zouden moeten worden bij het uitzetten van een integraal handelingsplan. Op een andere plaats hebben wij gepubliceerd over het belang van een ecologische, interdisciplinaire en handelingsgerichte

visie op problematiek van kinderen (Lodewijks, 1993). Dit onderwerp is verder uitgewerkt door Verstegen en Förster (2002) onder de naam Handelingsgerichte Procesdiagnostiek (HGPD) en onlangs nog geactualiseerd door Bokkers en Förster (2014). Overigens, de principes van Interactiewijzer beginnen steeds meer hun weg te vinden in ouder-kind behandelsettingen. De BOTS-vragenlijst kan bijvoorbeeld als instrument ingezet worden om verschillen en overeenkomsten tussen beleving van ouders van hun relatie met hun kind op een beeldende manier zichtbaar te maken en dat te benutten.