Aanwijzingen voor het lezen  van het boek


Het boek bestaat uit een theoretisch en een praktisch gedeelte. De eerste drie hoofdstukken zijn theoretisch en vormen het fundament voor de praktische uitwerking in de daaropvolgende twee hoofdstukken. Het theoretisch gedeelte kan niet los gelezen worden van de nadere uitwerking voor de praktijk. We proberen het lezen van de theoretische hoofdstukken zo veel mogelijk te veraangenamen door concrete voorbeelden te geven, een samenvatting te maken en vragen te stellen.


De praktische uitwerking van de theorie in de hoofdstukken 4 en 5 hoeft niet integraal gelezen te worden. Aan de hand van een stappenplan, afhankelijk van de problematiek van het betreffende kind, wordt bepaald welke paragraaf in hoofdstuk 4 en 5 gelezen dient te worden.


In hoofdstuk 1 behandelen we de interactionele theorie van Leary, waarbij ingegaan wordt op de uitgangspunten, een aantal kernbegrippen en op toepassingsgebieden.


In hoofdstuk 2 worden de diagnostische mogelijkheden van het interactionele model voor de orthopedagogische praktijk nader uitgewerkt. We introduceren hier onder andere de ‘BOTS’, een interactionele vragenlijst. Dit hoofdstuk moet gelezen worden als het theoretische raamwerk voor de diagnostische onderdelenvan de hoofdstukken 4 en 5.


In hoofdstuk 3 staan we stil bij de behandelingsconsequenties die getrokken kunnen worden uit de interactionele theorie. Hierin wordt een theoretische basis gegeven voor de verandering van problematische interacties tussen het kind en zijn omgeving. Dit hoofdstuk moet gelezen worden als raamwerk voor het handelingsgedeelte van de hoofdstukken 4 en 5. In hoofdstuk 3 bespreken we ook hoe Interactiewijzer ingezet kan worden bij het oplossingsgericht werken.


In hoofdstuk 4 worden acht interactionele situaties tussen het kind en de opvoeder uitgewerkt. In dit hoofdstuk worden concrete suggesties gedaan hoe problematische interacties kunnen worden omgebogen. De veranderingsvoorstellen komen neer op een wijziging in de omgangsstijl van de opvoeder, met de bedoeling dat deze wijziging een verandering in de omgangsstijl van het kind op zal roepen.


In hoofdstuk 5 worden eveneens acht interactionele situaties concreet uitgewerkt, maar dan tussen het kind en andere kinderen. Na bespreking van de karakteristieken van elke interactionele situatie volgen handelingsaanwijzingen welke sociale vaardigheden dienen te worden gestimuleerd. In dit hoofdstuk worden voorbeelden gegeven hoe de diverse sociale vaardigheden kunnen worden geoefend of kunnen worden ‘uitgelokt’ in een natuurlijke situatie.


In de diverse bijlagen worden vragenlijsten en hulpmiddelen aangereikt. Zo worden in bijlage VI ter illustratie twee praktijksituaties uitvoerig uitgewerkt



In de eerste drie hoofdstukken van het boek wordt consequent gebruikgemaakt van de hij-vorm en wordt steeds gesproken over het kind. Het spreekt voor zich dat voor hij ook zij gelezen moet worden. We gebruiken de term kind en beseffen dat opvoeders, die werken met jongeren van 12 tot 18 jaar, daar problemen mee kunnen hebben. Het leest echter niet prettig als telkens gesproken wordt over kinderen en jeugdigen. Vandaar de keuze voor de term kinderen.



Dit boek oogt als een ‘kookboek’, maar is uitdrukkelijk niet zo bedoeld. Wij zijn namelijk geen voorstander van het werken vanuit het diagnose-recept model. Met het interactionele model hopen we echter wel een werkkader aan te reiken voor een oplossingsgerichte benadering. De uitgewerkte voorbeelden illustreren en geven richting aan de gewenste verandering. We hopen door de gegeven voorbeelden richting te geven aan de professionele opvoeder en creatief maatwerk bij hem te stimuleren. Het gaat er namelijk steeds om uitwerkingen te zoeken die bij het kind én bij jou, als professioneel opvoeder, passen.